Selecteer een pagina

Flaes-orgel in de Wormerveerse Vermaning

‘Flaes en Brünjes 1855 is de naam van het orgel in het kerkgebouw aan de Zaanweg. Het is geplaatst in 1855 en genoemd naar de orgelmaker Pieter Flaes, die geboren werd op 21 Mei 1812 te Rotterdam. Samen met Georg Diederich Brünjes had hij een bedrijf in Amsterdam dat zich aanvankelijk richtte op het herstellen van orgels en later op het bouwen van nieuwe orgels.

Het eerste orgel van Pieter Flaes

Pieter Flaes (1812-1889) was een van de meest succesvolle Nederlandse orgelbouwers van zijn tijd. Hij leerde het vak bij de firma Bätz & Co., en begon in 1842, samen met Georg Brünjes, een eigen bedrijf. Flaes was de eigenlijke orgelbouwer; Brünjes bouwde vooral piano’s. Hun eerste belangrijke werk was de overplaatsing en verbouwing van het orgel in de Grote Kerk van Purmerend. Wormerveer (1855) was hun eerste nieuwgebouwde instrument. Uiteindelijk zou Flaes zo’n veertig orgels bouwen, de meeste voor Noord-Hollandse kerken.

Het orgel van Wormerveer is van het type dat Flaes zijn hele carrière trouw zou blijven. Van de twee manualen heeft er een – het hoofdwerk – de krachtige geluiden, voor de begeleiding van de gemeentezang. Het andere manuaal – in Wormerveer een bovenwerk – heeft zachtere stemmen, voor de voor-, tussen- en naspelen. Het pedaal is vast verbonden aan het hoofdwerk, of het heeft enkele basregisters. Ook in de vormgeving volgt Flaes bijna steeds hetzelfde model, ontleend aan het orgel van zijn leermeester Bätz in de Delftse Nieuwe Kerk (1840).

Zoals zoveel orgels is ook dat van Wormerveer in de loop van zijn bestaan een aantal malen veranderd. In 1927 voegde de fa. Hasselaar een pneumatisch vrij pedaal toe, en tien jaar later maakte de firma Flentrop een zwelkast om het bovenwerk, en verving een aantal registers. In verschillende perioden werd bovendien aan de intonatie gewerkt, met niet steeds even gelukkig resultaat. In de jaren 1990 was het orgel een schaduw van wat het ooit was geweest. Na een fase van voorbereiding en plannenmakerij, werd het orgel in 2005-2006 gerestaureerd door de firma Flentrop. Het orgel kreeg weer zijn oorspronkelijke dispositie op hoofd- en bovenwerk, en een nieuw, mechanisch vrij pedaal.

Hoofdwerk, C-f’’’ Bovenwerk, C-f’’’ Pedaal, C-d’
Prestant 8’ Prestant 8’ Subbas 16’ (e)
Cornet IV Viola di Gamba 8’ Octaafbas 8’ (e)
Bourdon 16’ (a) Holpijp 8’ Bourdon 8’ (e)
Roorfluit 8’ Salicionaal 4’ (c)
Octaaf 4’ Roorfluit 4’
Quint 3’ (b) Dulciaan 8’ (d)
Fluit 4’
Octaaf 2’ Tremulant
Mixtuur III Koppeling Hw-Bw
Trompet 8’ Koppeling Ped-Hw
(a) reconstructie Flentrop 2005
(b) C oud; Bes-f’’ Flaes, maar niet uit dit orgel; overige 2005
(c) in 1937 afgesneden tot Fluit 2’, 2005 hersteld
(d) bekers oud, overig 2005
(e) 2005

Jan Maarsen en het orgel van Wormerveer

Hoewel de geschiedenis van het Flaes-orgel hier niet uitvoerig kan worden beschreven, mag ook in de kortste samenvatting ervan de naam Jan Maarsen niet ontbreken. Jan Maarsen (1926-2007) was een leven lang nebenberuflich organist, en bespeelde de laatste jaren het orgel in de Vermaning van Wormerveer. Niet alleen kende hij het orgel door en door, hij koesterde het instrument en ijverde als geen ander voor de restauratie, die zonder zijn kennis en enthousiasme niet denkbaar zou zijn geweest. Zijn eigen persoon stond daarbij nooit op de voorgrond; maar weinigen hebben geweten wie de anonieme weldoener was die de bouw van het vrije pedaal mogelijk maakte. Jan Maarsen was overtuigd van de kwaliteit van het orgel, die door de matige conditie waarin het verkeerde, slecht uit de verf kwam. Met grote voldoening maakte hij mee hoe tijdens de restauratie een verfijnd klankbeeld tevoorschijn kwam, en een oude allure weer tot leven werd gewekt. Het was dan ook bijzonder hard dat een ziekte hem verhinderde om de orgeltrap te beklimmen. In de laatste fase van de restauratie heeft Jan Maarsen nog eenmaal het door hem zo gekoesterde instrument kunnen bespelen. Daarna beluisterde hij het vanuit de kerkruimte, tot de dood hem ook dat niet langer gunde.
Er is een CD die van harte opgedragen is aan de nagedachtenis van Jan Maarsen, en zijn liefde voor het orgel. Het programma is opgebouwd rond de stukken die hebben geklonken op de heringebruikname van het Flaes-orgel in mei 2006; muziek waarvan Jan Maarsen hield, gespeeld op het orgel dat hij koesterde en dat zonder hem niet op deze wijze zou hebben geklonken.

Over het programma

Omdat Flaes gedurende zijn hele carrière eenzelfde orgeltype trouw bleef, met een vast schema voor dispositie, technische opbouw en kas, zou men denken dat zijn orgels ook wat betreft intonatie op elkaar zouden lijken. Wormerveer laat horen dat Flaes in dit opzicht wel degelijk een ontwikkeling doormaakte. Voor wie de latere orgels kent, heeft dit orgel namelijk een verrassend helder en licht klankbeeld. De wereld van de late achttiende eeuw, en van Flaes’ leermeester Bätz, is er nog in te horen. In zijn latere orgels streeft Flaes naar een grotere klank, waardoor het beeld monumentaler, ‘deftiger’, maar ook grover wordt. Dat in dit eerste orgel de elegantie van de achttiende, en de monumentaliteit van de negentiende eeuw elkaar ontmoeten, maakt het geschikt voor muziek in allerlei stijlen. Voor deze CD is daarom muziek gekozen uit verschillende stijlperioden. Bovendien is het orgel te horen in wat bij de bouw zijn belangrijkste rol was: die van begeleider. De drie werken waarin violist Franc Polman speelt, laten daarbij zien hoe die rol in de loop van de tijd van betekenis veranderde. Terwijl bij de sonate van Colizzi de viool de begeleider is van het klavierinstrument, zijn de twee bij Rheinberger elkaars tegenspeler. Pas bij Karg-Elert zijn de rollen omgedraaid, en is het orgel niet meer dan een ondersteuning van de viool.
Johann Gottfried Walther werkte aan het hof van Weimar, onder andere als leraar van prins Johann Ernst von Sachsen-Weimar. Deze had in de Amsterdamse Nieuwe Kerk gehoord hoe Jan Jacob de Graaf bewerkingen van Italiaanse concerten op het orgel speelde. Bracht prins Johann Ernst zijn leraar op het idee? Hoe het ook zij, ook Walther arrangeerde een aantal concerti van componisten als Albinoni, Corelli en Torelli voor het orgel. Een van die bewerkingen klinkt op deze CD, bij wijze van feestelijke, barokke ouverture.
Van oudsher wordt het orgel gebruikt om koralen te spelen, en te variëren. Een van de onbetwiste meesters van de koraalvariatie is Johann Pachelbel. Bach zelf kende en bewonderde zijn muziek. Variatiewerken zijn natuurlijk heel geschikt om de verschillende klankkleuren van een orgel te laten horen, een dankbare taak wanneer waar het orgel zo veelkleurig is als in Wormerveer. Twee bijzonder kleuren zijn de Cornet, die klinkt aan het begin van de reeks variaties over ‘Ach, was soll ich Sünder machen?’, en het ‘volle werk’, dat is gebruikt in het afsluitende koraal.
Johan Andrea Kauchlitz Colizzi was afkomstig uit Bohemen. Hij werkte in Leiden, en later aan het Stadhouderlijk hof in Den Haag. De Six Sonatines pour le clavecin ou Piano-forte avec l’accompagnement d’un violon moeten zijn geschreven rond 1790, en zijn opgedragen aan prinses Louise. De klavierpartij is hier gespeeld op de fluiten van het orgel; in het laatste deel, Tambourin, klinkt de Dulciaan.
Net als in het werk van Colizzi is in Mozarts variaties over ‘Mio caro Adone’ het galante, ‘ouderwetse’ karakter van dit orgel te horen. In het programma zijn ze een tegenhanger van de variaties van Pachelbel. Tegenover het ernstige koraal staat de luchtige melodie die Mozart ontleende aan een opera van Salieri. Kwamen bij Pachelbel de prestanten aan bod, hier zijn vooral de fluiten en de Viola di Gamba gebruikt.
In de werken van Rheinberger, Bossi en Karg-Elert laat het orgel zich van zijn ‘moderne’ kant horen. Het relatief grote aantal 8’-registers, maar ook de twee strijkende stemmen van het bovenwerk, horen immers thuis in de periode van de Romantiek. Ze maken het orgel geschikt voor de lang uitgezongen lijnen die in deze periode dragers van de expressie worden. Van deze drie componisten, die allen ook concerterend organist waren, is Rheinberger de meest klassieke; begin en eind van de Ouverture omsluiten een fuga, en het stuk doet daarmee denken aan Händel of Bach. De werken van Bossi zijn sfeertekeningen; religieus in het Preghiera, pastoraal in het Chant du soir. Het Sanctus van Karg-Elert is in feite één lange, extatische melodie.
Ook William Matthias was zowel componist als organist. Matthias orgelmuziek is daardoor prachtig idiomatisch geschreven. Processional is een vrolijk-plechtige mars, hier gespeeld met de tongwerken van het orgel, dat zich ook in deze stijl uitstekend thuisvoelt. Juist voor deze CD leek het me een passend slot: Processional was een van de werken die Jan Maarsen graag speelde, en dat ik op zijn verzoek liet horen bij de heringebruikname van het orgel.

Henk Verhoef 

 

 

Het orgel in beeld

Share This